Instantie

Publicatiejaar

Met annotatie

 

Rechtspraak SZR 2020-0016

Centrale Raad van Beroep 13-02-2020, (appellante/Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen)

SZR-Nummer SZR 2020-0016
Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum 13-02-2020
ECLI ECLI:NL:CRVB:2020:307 External-link
Zaaknummer 18/4731 WW
Rechters H.G. Rottier, A.I. van der Kris en S. Wijna
Advocaten M. Erik
Wetsartikelen 27 WW; 24 WW
Download pdf
Trefwoorden bij dit artikel: ontslagnemen; huwelijk; samenwonen; verwijtbaarheid

In het huwelijk treden en de wens om na dat huwelijk in verband met de werkzaamheden van de partner naar diens woonplaats te verhuizen, brengt niet mee dat van een betrokkene, bezien vanuit een oogpunt van de WW, redelijkerwijs niet kan worden gevergd het dienstverband te laten voortduren.

Appellante is sinds 25 mei 2010 werkzaam bij de X. Op 28 september 2017 doet zij een aanvraag om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op het aanvraagformulier vermeldt appellante dat zij ontslag heeft genomen, omdat zij in 2017 gaat trouwen en zij gaat verhuizen naar de woonplaats waar haar aanstaande echtgenoot woont. De afstand tussen de woonplaatsen is volgens appellante te groot om heen en weer te reizen, dat zou haar namelijk vier uur per dag kosten. Bij besluit van 13 oktober 2017 stelt UWV vast dat appellante vanaf 2 oktober 2017 recht heeft op een WW-uitkering, maar dat deze uitkering niet tot uitbetaling komt omdat zij verwijtbaar werkloos is geworden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling. Het is vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 22 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2436) dat het in het huwelijk treden en de wens om na dat huwelijk in verband met de werkzaamheden van de partner naar diens woonplaats te verhuizen, niet meebrengen dat van een betrokkene, bezien vanuit een oogpunt van de WW, redelijkerwijs niet kan worden gevergd het dienstverband te laten voortduren. De omstandigheid dat de woonplaats van de partner zo ver verwijderd is van de plaats waar betrokkene werkt dat heen en weer reizen zeer bezwarend zou zijn, maakt dat niet anders. Het is evenzeer vaste rechtspraak dat het UWV geen ongeoorloofde ongelijkheid in behandeling in het leven zou roepen ten opzichte van diegenen die verhuizen en hun dienstbetrekking beëindigen teneinde hun partner te volgen met wie zij reeds – al dan niet gehuwd – samenleven. Daarbij heeft de Raad van belang geacht dat in deze gevallen al sprake is van een samenwoning, terwijl die in het eerste geval nog tot stand moet worden gebracht. Aangezien de aangevallen uitspraak in overeenstemming is met vaste rechtspraak van de Raad, en aangezien wordt onderschreven hetgeen door de rechtbank is vastgesteld en overwogen, wordt volstaan met te verwijzen naar de aangevallen uitspraak. Wat is overwogen brengt met zich dat vanuit de WW bezien van appellante kon worden gevergd dat zij haar dienstbetrekking in haar eigen woonplaats voortzette. 

Reageer


Reacties

Er zijn nog geen reacties.