Instantie

Publicatiejaar

Met annotatie

 

Rechtspraak SZR 2020-0013

Centrale Raad van Beroep 05-02-2020, (Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)/Betrokkene)

SZR-Nummer SZR 2020-0013
Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum 05-02-2020
ECLI ECLI:NL:CRVB:2020:184 External-link
Zaaknummer 18/5853 WW
Rechters H.G. Rottier, A.I. van der Kris en S. Wijna
Advocaten P.J. van der Meulen
Wetsartikelen 19 lid 1 aanhef en onder a WW; 19 lid 1 aanhef en onder e WW; 22a lid 1 aanhef en onder a WW; 25 WW; 36 lid 1 WW; artikel 64 Verordening (EG) nr. 883/2004
Download pdf
Trefwoorden bij dit artikel: verblijf in het buitenland; migratie; arbeidsinschakeling; intrekking van de WW-uitkering; Polen

Intrekking WW-uitkering vanwege verblijf buiten Nederland anders dan wegens vakantie, terwijl betrokkene dit niet aan UWV heeft gemeld.

Betrokkene vraagt op 20 september 2014 een uitkering aan op grond van de WW. Hij vermeldt op het aanvraagformulier dat hij laatstelijk werkzaam is geweest via uitzendbureau X. UWV kent de uitkering toe met ingang van 22 september 2014 en verleent toestemming om met behoud van zijn uitkering in Polen naar werk te zoeken in de periode van 28 november 2014 tot en met 27 februari 2015. Naar aanleiding van een aantal meldingen is het vermoeden ontstaan dat Poolse (ex-)werknemers van uitzendbureau X hebben gefraudeerd bij het aanvragen van de WW-uitkering in die zin dat zij direct na het eindigen van het dienstverband zijn teruggekeerd naar Polen. Op basis van een onderzoek van de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ISWZ) is de toestemming om per 28 november 2014 met behoud van uitkering naar Polen te vertreken, ingetrokken. Aan dat besluit ligt ten grondslag dat betrokkene al vóór de eerste werkloosheidsdag in Polen verbleef. Vervolgens is de uitkering wegens verblijf in het buitenland ingetrokken. De rechtbank acht het beroep van betrokkene gegrond. Anders dan UWV acht de rechtbank het onderzoeksrapport niet doorslaggevend. Met name omdat betrokkene de lijst niet kende en niet is gebleken dat hij betrokken is geweest bij de vermelding van zijn naam op een lijst of dat hij over een buskaartje beschikte. UWV stelt in hoger beroep dat de rechtbank de feiten afzonderlijk en niet in onderlinge samenhang heeft bezien.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Het feit dat betrokkene op de vertreklijst staat voor terugkeer naar Polen vormt een indicatie dat betrokkene ook daadwerkelijk naar Polen is vertrokken. In samenhang bezien met de onduidelijkheid over de daadwerkelijke verblijfsplaats van betrokkene na afloop van het dienstverband met het uitzendbureau heeft het UWV aannemelijk gemaakt dat betrokkene naar Polen is vertrokken. Betrokkene is er niet in geslaagd om met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken dat het standpunt van het UWV onjuist is. Dit betekent dat de WW-uitkering onverschuldigd is betaald en het UWV gehouden is de onverschuldigd betaalde WW-uitkering van betrokkene terug te vorderen.

Reageer


Reacties

Er zijn nog geen reacties.