Instantie

Publicatiejaar

Met annotatie

 

Rechtspraak SZR 2020-0006

Centrale Raad van Beroep 23-01-2020

SZR-Nummer SZR 2020-0006
Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum 23-01-2020
ECLI ECLI:NL:CRVB:2020:148 External-link
Rechters M. Greebe , A.T. de Kwaasteniet en W.R. van der Velde 
Wetsartikelen 25 lid 9 WIA; 65 WIA
Download pdf
Trefwoorden bij dit artikel: loonsanctie; plan van aanpak; bijstelling; vermoeidheidsklachten

Terecht geen loonsanctie opgelegd. De Raad verwerpt de stelling van appellant dat de werkgever door te veel van hem te vragen zijn re integratie juist heeft bemoeilijkt.

Appellant is vanaf 1 juli 2008 werkzaam bij werkgever. Op 31 juli 2014 valt hij voor zijn werk uit wegens vermoeidheidsklachten, duizeligheid en spanningsklachten. Appellant hervat snel weer deels waarbij hij een aantal uren per week thuis werkt. Het Plan van aanpak wordt gedurende de re-integratie diverse keren (mede naar aanleiding van een deskundigenoordeel) bijgesteld. Op 8 mei 2016 doet appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). UWV kent aan appellant per 2 augustus 2016 een loongerelateerde uitkering op grond van de Wet WIA toe, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100% en beslist dat werkgever voldoende aan de re-integratie van appellant heeft gedaan. Appellant maakt bezwaar, omdat hij meent dat de FML zijn beperkingen niet juist weergeeft en dat werkgever voor wat betreft zijn re-integratie tekort is geschoten en UWV ten onrechte geen loonsanctie heeft opgelegd. Het bezwaar en beroep worden ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Aan werkgever kan op grond van het bepaalde in artikel 25, elfde lid, van de Wet WIA na afloop van de zogenoemde wachttijd geen loonsanctie meer worden opgelegd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 28 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:298). Omdat appellant vergoeding heeft gevorderd van de schade die volgens hem het gevolg is van het niet opleggen van een loonsanctie aan werkgever, heeft hij belang bij een beoordeling van de vraag of UWV terecht heeft beslist dat werkgever zich voldoende bij de re-integratie heeft ingespannen. Evenals de rechtbank wordt geoordeeld dat UWV terecht heeft beslist dat werkgever in redelijkheid aan zijn re-integratieverplichtingen heeft voldaan. De bedrijfsarts van werkgever heeft in de diverse Plannen van aanpak steeds op basis van de ingeschatte mogelijkheden van appellant een opbouwschema gemaakt om appellant uiteindelijk geleidelijk naar een acceptabele hervatting in de eigen functie te brengen. Het Plan van aanpak van de re-integratie is op basis van de opgedane ervaringen en nadat uit de deskundigenoordelen twee keer duidelijk was geworden dat dat nodig was, steeds bijgesteld. Nadat een arbeidsdeskundige advies had uitgebracht over het mogelijke vervolg van de re-integratie, is door werkgever gestart met een bredere re-integratie in het eerste spoor en met een tweede spoor. Daarmee heeft de werkgever adequaat invulling geven aan zijn verplichtingen tot re-integratie van appellant. In het dossier is geen onderbouwing te vinden voor de stelling van appellant dat het onbevredigende resultaat te wijten is aan het handelen van werkgever.

Over de toekenning van de WIA-uitkering oordeelt de Raad het volgende. Appellant heeft de medische onderbouwing van de aan hem toegekende WIA-uitkering bestreden, omdat zijn beperkingen volgens hem niet voldoende in de FML zijn weergegeven. Anders dan de rechtbank wordt wel aanleiding gezien om te beoordelen of de beperkingen van appellant adequaat in de FML zijn opgenomen omdat, gelet op wat hieromtrent ter zitting is besproken, appellant mogelijk wel belang heeft bij een juiste FML, bijvoorbeeld waar het betreft verdere re-integratie-inspanningen op basis van de uitgangspunten van de FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft blijkens zijn rapport van 11 oktober 2016 geen reden gezien de FML aan te passen. In de genoemde rapporten van de verzekeringsartsen is kenbaar en overtuigend gemotiveerd dat appellant beperkt is voor het verrichten van werkzaamheden, maar ook arbeidsmogelijkheden heeft, en dat de FML van 23 juni 2016 voldoende tegemoetkomt aan de beperkingen van appellant. Het hoger beroep van appellant slaagt voor wat betreft de beslissing van de rechtbank dat hij geen procesbelang heeft bij een beoordeling van de medische onderbouwing van de toegekende WIA-uitkering. Maar omdat UWV terecht bij het bestreden besluit het bezwaar van appellant tegen de toekenning van de WIA-uitkering ongegrond heeft verklaard, heeft de rechtbank door het beroep van appellant ongegrond te verklaren wel een juiste beslissing genomen.

Reageer


Reacties

Er zijn nog geen reacties.