Instantie

Publicatiejaar

Met annotatie

 

Rechtspraak SZR 2020-0002

Centrale Raad van Beroep 19-12-2019

SZR-Nummer SZR 2020-0002
Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum 19-12-2019
ECLI ECLI:NL:CRVB:2019:4217 External-link
Zaaknummer 18/1729 WW
Rechters M.A.H. van Dalen-van Bekkum , M.M. van der Kade en A.I. van der Kris
Download pdf
Trefwoorden bij dit artikel: WW-uitkering; grensarbeiders; weigering WW-uitkering; terugvordering WW-uitkering

WW-uitkering ten onrechte beëindigd: voldoende aannemelijk dat betrokkene ook in Nederland werkzaamheden verrichtte.

Betrokkene woont in België en is gedurende 32 uren per week werkzaam bij een advocatenkantoor in Nederland. Daarnaast is zij acht uur per week werkzaam voor het bedrijf van haar echtgenoot. Per 1 april 2016 eindigt het dienstverband met het advocatenkantoor. Met ingang van 1 april 2016 wordt aan betrokkene een WW-uitkering toegekend, waarbij wordt overwogen dat betrokkene gedeeltelijk werkloos en gedeeltelijk nog werkzaam is in Nederland. UWV is in het kader van een onderzoek naar grensarbeiders tot de conclusie gekomen dat betrokkene haar werkzaamheden voor het bedrijf van haar echtgenoot niet in Nederland, maar in België verricht. UWV heeft de WW-uitkering van betrokkene vervolgens alsnog geweigerd en heeft de over de periode van 1 april 2016 tot en met 28 februari 2017 betaalde uitkering teruggevorderd. Het bezwaar tegen dit besluit is ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit gegrond verklaard en heeft hierbij overwogen dat voor de beoordeling of betrokkene haar werkzaamheden (ook) in Nederland verricht, niet alleen gekeken moet worden naar waar zij feitelijk haar werkzaamheden verricht. De rechtbank heeft in dit verband bijvoorbeeld ook van belang geacht dat het bedrijf van haar echtgenoot in Nederland gevestigd is, dat de klanten van het bedrijf in Nederland zitten en dat het bedrijf in Nederland belastingaangifte doet.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene voor het intreden van haar gedeeltelijke werkloosheid op 1 april 2016 in twee lidstaten werkzaam was en dat zij een niet-substantieel deel van haar werkzaamheden verrichtte in haar woonland België, zodat Nederland de bevoegde lidstaat was. Betrokkene stelt dat zij na 1 april 2016 de werkzaamheden voor het bedrijf van haar echtgenoot gedeeltelijk in Nederland verricht, zodat zij in Nederland gedeeltelijk werkloos is en daarmee recht heeft op een WW-uitkering. UVW meent evenwel dat de werkzaamheden voor het bedrijf van haar echtgenoot uitsluitend in België plaatsvinden, zodat het Belgische orgaan bevoegd is ter zake van een werkloosheidsuitkering voor betrokkene. De Raad stelt voorop dat voor de beoordeling waar werkzaamheden worden verricht, bepalend is de plaats waar concreet de aan die werkzaamheid verbonden werkzaamheden worden verricht. De Raad stelt voorts vast dat betrokkene in bezwaar heeft uiteengezet welke werkzaamheden zij in Nederland verrichtte en dat zij dit met verklaringen van derden en stukken heeft onderbouwd. Onder deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat de stelling van UWV, inhoudende dat aan de voorwaarden voor intrekking van de WW-uitkering van betrokkene is voldaan, op onvoldoende feitenonderzoek berust. Los daarvan is de Raad van oordeel dat betrokkene, ook als in aanmerking wordt genomen dat zij haar werkzaamheden in Nederland wat heeft aangedikt, wel aannemelijk heeft gemaakt dat zij in Nederland op regelmatige basis pakketten in ontvangst nam, sorteerde en bij klanten bezorgde. De WW-uitkering van betrokkene is dan ook ten onrechte beëindigd, zodat ook terugvordering komt te vervallen. Het hoger beroep faalt.

Reageer


Reacties

Er zijn nog geen reacties.