Instantie

Publicatiejaar

Met annotatie

 

Rechtspraak SZR 2019-0062

Centrale Raad van Beroep 18-12-2019

SZR-Nummer SZR 2019-0062
Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum 18-12-2019
ECLI ECLI:NL:CRVB:2019:4144 External-link
Zaaknummer 17/5518 WIA
Rechters E. Dijt , M. Greebe en M.E. Fortuin 
Advocaten A.P. van Stralen
Wetsartikelen 13 WIA
Download pdf
Trefwoorden bij dit artikel: WIA-uitkering; WGA-uitkering; dagloon

Niet kunnen werken door detentie en inname toegangspas leidt niet tot afwijkende berekening dagloon.

Appellant, werkzaam bij werkgever, wordt in juni 2013 in voorlopige hechtenis gesteld wegens verdenking van het plegen van een drugsdelict. Naar aanleiding hiervan neemt werkgever de toegangspas van appellant in. Bij vonnis van 20 september 2013 wordt appellant vrijgesproken van wat hem ten laste was gelegd en wordt hij op vrije voeten gesteld. In januari 2014 krijgt appellant zijn toegangspas terug. Na drie dagen werken valt hij vervolgens op 13 januari 2014 uit wegens psychische klachten. Bij besluit van 25 januari 2016 kent UWV appellant met ingang van 3 februari 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering toe, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100% en het dagloon op € 79,90, met inachtneming van een referteperiode van 1 januari 2013 tot 31 december 2013. Appellant heeft van januari 2013 tot en met juli 2013 loon van werkgever ontvangen, en heeft van juli 2013 tot en met december 2013 geen inkomsten genoten. Bij beslissing op bezwaar van 4 mei 2016 (bestreden besluit) heeft UWV het bezwaar van appellant gegrond verklaard, voor zover dit gericht was tegen de ingangsdatum van de WIA-uitkering. Het bezwaar van appellant tegen de hoogte van het dagloon is ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit eveneens ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Op grond van artikel 13 lid 1 Wet WIA, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, voorafgaande aan de arbeidsongeschiktheid. Op grond van artikel 13 lid 3 Wet WIA zijn in het Dagloonbesluit nadere en afwijkende regels vastgesteld. Wat appellant heeft aangevoerd, levert geen grond op om af te wijken van artikel 13 van de Wet WIA of het Dagloonbesluit. In het Dagloonbesluit is geen afwijkende regel voor de situatie van appellant opgenomen, namelijk de situatie waarin de werknemer wegens detentie geen of minder loon heeft genoten. Ook bevat het Dagloonbesluit geen hardheidsclausule. Dat appellant door detentie en de inname van zijn toegangspas niet heeft kunnen werken, is dan ook geen omstandigheid die voor de berekening van het WIA-dagloon van belang is. Dit betekent dat de rechter de keuze van de wetgever voor de met artikel 13 lid 1 Wet WIA gegeven berekeningswijze van het dagloon moet respecteren. Het is aan de wetgever om eventuele onredelijke en niet beoogde effecten van de in het Dagloonbesluit neergelegde dagloonsystematiek teniet te doen. Het hoger beroep faalt.

Reageer


Reacties

Er zijn nog geen reacties.