Instantie

Publicatiejaar

Met annotatie

 

Rechtspraak SZR 2019-0061

Centrale Raad van Beroep 12-12-2019

SZR-Nummer SZR 2019-0061
Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum 12-12-2019
ECLI ECLI:NL:CRVB:2019:4014 External-link
Zaaknummer 17/5153 WIA
Rechters B.J. van de Griend , T. Dompeling en M.A. Schneider
Wetsartikelen 25 WIA
Download pdf
Trefwoorden bij dit artikel: loonsanctie; re-integratie; eerste spoor; belastbaarheid; proefplaatsing

Loonsanctie terecht opgelegd: werkgever heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar arbeidsmogelijkheden in eerste spoor.

Werkneemster is werkzaam bij appellante als verpleegkundige voor 16 uur per week en wordt op 18 december 2013 ziek gemeld, omdat zij vanwege strengere hygiënevoorschriften met haar polsbrace door appellante niet meer geschikt wordt geacht om patiëntenzorg te bieden. Een proefplaatsing als secretaresse is vervolgens onderbroken doordat werkneemster door een auto-ongeval op 10 juni 2014 is uitgevallen. Vanaf oktober 2014 tot februari 2015 hebben diverse hervattingen in administratief werk niet tot blijvende re‑integratie geleid. Werkneemster vraagt in september 2015 een WIA-uitkering aan. Bij besluit van 15 december 2015 legt UWV een loonsanctie van 52 weken op, op de grond dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. UWV verwijt appellante dat de bedrijfsarts ten aanzien van werkneemster te zware beperkingen heeft vastgesteld en dat appellante, doordat van een onjuiste belastbaarheid is uitgegaan, geen adequate re-integratie-inspanningen heeft verricht in het eerste spoor. Het bezwaar en beroep tegen dit besluit zijn beide ongegrond verklaard.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Het verwijt van UWV betreft met name de wijze waarop de bedrijfsarts invulling heeft gegeven aan zijn rol bij de re-integratie van werkneemster, waarvoor appellante de verantwoordelijkheid draagt. Volgens de verzekeringsartsen van UWV is de bedrijfsarts uitgegaan van te veel beperkingen, met name in het persoonlijk en sociaal functioneren, en is ten onrechte een urenbeperking vastgesteld, waarvoor gelet op de beschikbare objectieve gegevens geen onderbouwing is gegeven. UWV heeft nog in het bijzonder gewezen op de wijze waarop de FML van 9 februari 2015 tot stand is gekomen. Werkneemster heeft kennelijk zelf een substantiële rol vervuld bij het invullen daarvan. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en stelt vast dat appellante ook in hoger beroep geen medisch objectiveerbare gegevens heeft overgelegd die aanleiding kunnen geven tot twijfel aan het standpunt van de verzekeringsartsen dat appellante van een onjuiste belastbaarheid is uitgegaan. De rechtbank heeft eveneens op goede gronden geoordeeld dat appellante, door uit te gaan van een onjuiste belastbaarheid in de periode tot aan de WIA-aanvraag, onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de arbeidsmogelijkheden in het eerste spoor. Het hoger beroep faalt.

Reageer


Reacties

Er zijn nog geen reacties.