Instantie

Publicatiejaar

Met annotatie

 

Rechtspraak SZR 2019-0055

Centrale Raad van Beroep 21-11-2019

SZR-Nummer SZR 2019-0055
Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum 21-11-2019
ECLI ECLI:NL:CRVB:2019:3712 External-link
Zaaknummer 17/6630 WIA
Rechters H.G. Rottier , S. Wijna en T. Dompeling
Wetsartikelen 27 WIA
Download pdf
Trefwoorden bij dit artikel: herziening; terugwerkende kracht; inlichtingenplicht; operatie; mate van arbeidsongeschiktheid

UWV mocht de WIA-uitkering met terugwerkende kracht herzien. Schending inlichtingenplicht.

Appellante is werkzaam als verzorgende IG voor 24 uur per week. Op 13 november 2013 meldt appellante zich ziek met bekkenklachten. Na bevallingsverlof meldt zij zich op 20 juli 2014 opnieuw ziek. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) stelt UWV vast dat appellante in verband met een aanstaande operatie op 22 maart 2016 en een langdurige revalidatie aan het einde van de wachttijd volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht. Bij besluit van 14 januari 2016 kent UWV appellante met ingang van 4 maart 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering toe. Appelante meent dat zij in aanmerking behoort te komen voor een IVA-uitkering. Tijdens de hoorzitting op 9 maart 2016 blijkt dat appellante heeft afgezien van de op 22 maart 2016 geplande operatie. UWV brengt daarom alsnog de belastbaarheid van appellante per einde wachttijd (3 maart 2016) in kaart. De verzekeringsarts stelt daarbij vast dat zware bekkenbelastende werkzaamheden vermeden moeten worden, maar dat appellante belastbaar kan worden geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 26 april 2016 (geldend vanaf 3 maart 2016). Een arbeidsdeskundige stelt een mate van arbeidsongeschiktheid van 17,65% vast. In de bezwaarprocedure wordt de mate van arbeidsongeschikt gewijzigd naar 19,79%. Bij beslissing op bezwaar van 12 juli 2016 herziet UWV het besluit van 14 januari 2016, in die zin dat appellante per 4 maart 2016 geen recht heeft op een WIA-uitkering. Bij besluit van 3 augustus 2016 vordert UWV de te veel betaalde WIA-uitkering over de periode van 4 maart 2016 tot 1 augustus 2016 terug.

De Centrale Raad van Beroep komt tot de volgende beoordeling. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen over de mogelijkheden en beperkingen van appellante per 4 maart 2016 wordt volledig onderschreven. Dat betekent dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante aan het einde van de wachttijd, per 4 maart 2016, minder dan 35% was en dat zij om die reden geen recht had op een WIA-uitkering. Vervolgens is dan de vraag aan de orde of UWV de WIA-uitkering met terugwerkende kracht mocht herzien. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 5 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2342) is intrekking of herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering met terugwerkende kracht in het algemeen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. In uitzonderingsgevallen is van strijd met dit beginsel geen sprake. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan gevallen waarin het toekennen of ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het gevolg is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de betrokkene, terwijl de uitvoeringsinstelling een andere (minder gunstige) beslissing zou hebben genomen indien zij wel de juiste feiten had gekend (zie Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006). Voor de vraag hoe ver de inlichtingenplicht van appellante strekte en wat appellante in dat verband redelijkerwijs duidelijk kon zijn, is van belang wat in de betreffende periode is voorgevallen en wat tussen partijen in de betreffende periode is toegelicht en besproken. Uit de beschrijving van de gang van zaken volgt enerzijds dat het appellante duidelijk is gemaakt dat de geplande operatie op 22 maart 2016 voor UWV bepalend was voor het besluit om haar met ingang van 4 maart 2016 volledig arbeidsongeschikt te achten en anderzijds dat het haar ook redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat zij haar beslissing om de ingreep geen doorgang te laten vinden onverwijld aan UWV had moeten melden. Aangezien appellante, in ieder geval, uiterlijk op 24 februari 2016 het besluit had genomen om af te zien van de operatie en dat ook per e-mail aan haar gemachtigde had laten weten, had zij dat in die periode, maar in ieder geval tijdig, voor 4 maart 2016, aan UWV kunnen en moeten laten weten. Aangezien appellante dit echter pas op 9 maart 2016 tijdens de hoorzitting heeft gemeld, wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat UWV terecht heeft geconcludeerd dat de inlichtingenplicht uit artikel 27 van de Wet WIA is geschonden. UWV was bevoegd de WIA-uitkering van appellante met terugwerkende kracht in te trekken. Het hoger beroep slaagt niet.

Reageer


Reacties

Er zijn nog geen reacties.