Instantie

Publicatiejaar

Met annotatie

 

Rechtspraak SZR 2019-0050

Centrale Raad van Beroep 06-11-2019

SZR-Nummer SZR 2019-0050
Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum 06-11-2019
ECLI ECLI:NL:CRVB:2019:3593 External-link
Zaaknummer 18/4484 WIA
Rechters J.S. van der Kolk , I.M.J. Hilhorst-Hagen en E. Dijt
Advocaten K.U.J. Hopman
Wetsartikelen 13 Dagloonbesluit
Download pdf
Trefwoorden bij dit artikel: nawerking; uitbetaling WW-uitkering; referteperiode

Dat artikel 13 van het Dagloonbesluit in een individueel geval nadelig uitpakt, is geen reden om het artikel buiten toepassing te laten.

Appellant is van 2 januari 2014 tot 7 september 2014 werkzaam als chef-kok in dienst van X. Hij heeft van 29 september 2014 tot en met 28 december 2014 recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), berekend naar het maximumdagloon van € 198,28. Wegens het niet in acht nemen van de voor appellant geldende opzegtermijn tot en met 31 oktober 2014 wordt de uitkering uitbetaald vanaf 3 november 2014. Appellant meldt zich na een herseninfarct op 19 januari 2015 ziek en ontvangt een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Met ingang van 16 januari 2017 wordt hij in aanmerking gebracht voor een loonaanvullingsuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), berekend naar een dagloon van € 175,34. Bij besluit van 29 mei 2017 wijzigt UWV het dagloon met ingang van 16 januari 2017 naar € 187,30. UWV verklaart het bezwaar tegen dit besluit ongegrond. Ook het beroep haalt het niet. Hiertoe overweegt de rechtbank dat UWV de referteperiode op grond van artikel 13, derde lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) terecht heeft bepaald op de periode van 1 december 2013 tot 1 december 2014 omdat dit dwingend recht is en afwijking daarvan, omdat een andere vaststelling van het refertejaar gunstiger uitpakt voor appellant, niet mogelijk is. Appellant voert in hoger beroep aan dat verschillende aspecten van de regelgeving rond het vaststellen van het dagloon voor hem nadelig uitvallen, waardoor geen sprake is van een redelijke afspiegeling van zijn verlies aan verdiencapaciteit.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. In geschil is de hoogte van het WIA-dagloon met ingang van 16 januari 2017. Niet in geschil is dat, nu de verzekering van appellant voor de Wet WIA is gebaseerd op artikel 10 van die wet (de zogeheten nawerking), de referteperiode voor de berekening van het dagloon conform artikel 13, derde lid, van het Dagloonbesluit is bepaald op de periode van 1 december 2013 tot 1 december 2014. Hierdoor zijn betalingen van de WW-uitkering in december 2014 niet meegenomen in de berekening van het dagloon.

Het Dagloonbesluit kan als algemeen verbindend voorschrift worden getoetst op rechtmatigheid, in het bijzonder op verenigbaarheid met hogere regelgeving. Daarnaast komt in de rechtspraak van de Raad tot uitdrukking dat aan de inhoud of wijze van totstandkoming van een algemeen verbindend voorschrift zodanig ernstige gebreken kunnen kleven dat dit voorschrift om die reden niet als grondslag kan dienen voor daarop in concrete gevallen te baseren beslissingen. Gelet op het feit dat artikel 13 van het Dagloonbesluit een resultaat is van een politiek-bestuurlijke afweging, is in beginsel een terughoudende rechterlijke toetsing aangewezen. Een met artikel 13, derde lid, van het Dagloonbesluit overeenkomende bepaling voor de bepaling van de referteperiode bij nawerking van de verzekering was opgenomen in artikel 10, eerste lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen. Uit de nota van toelichting (Stb. 2005, 546, p. 21) blijkt dat de besluitgever een bewuste keuze heeft gemaakt om bij nawerking van de verzekering de referteperiode niet te laten eindigen op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaand aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden, maar op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaand aan het aangiftetijdvak waarin de verzekering is geëindigd. Gevolg hiervan is dat hiermee wordt voorkomen dat indien de verzekering in de loop van een aangiftetijdvak eindigt – door het eindigen van de dienstbetrekking of uitkering waaraan de verzekering is ontleend – en in de dagen daarna tot aan het einde van dat aangiftetijdvak geen loon of uitkering meer wordt ontvangen, dit leidt tot een verlaging van het dagloon. Door de referteperiode in deze situatie één aangiftetijdvak terug te leggen zal doorgaans in het laatste aangiftetijdvak binnen de referteperiode nog sprake zijn van een volledige loon- of uitkeringsbetaling en treedt er geen dagloonverlagend effect op. Gelet hierop kan de dagloonregeling in artikel 13, derde lid, van het Dagloonbesluit de terughoudende toets doorstaan. Het hoger beroep slaagt niet.

Reageer


Reacties

Er zijn nog geen reacties.