Instantie

Publicatiejaar

Met annotatie

 

Rechtspraak SZR 2019-0043

Centrale Raad van Beroep 17-10-2019

SZR-Nummer SZR 2019-0043
Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum 17-10-2019
ECLI ECLI:NL:CRVB:2019:3290 External-link
Zaaknummer 17/6799 WIA
Rechters J.S. van der Kolk , E. Dijt en R.P.T. Elshoff 
Advocaten E.R. Jonkman en P.A.M. Staal
Wetsartikelen 5 WIA; 9 Schattingsbesluit
Download pdf
Trefwoorden bij dit artikel: arbeidsongeschiktheid; geschikt voor eigen maatgevend werk; excessief ziekteverzuim

Bij een te verwachten ziekteverzuim van circa 25% wordt de grens van wat in redelijkheid nog van een werkgever kan worden verlangd niet overschreden. Appellant is geschikt voor het eigen maatgevende werk.

Appellant is laatstelijk werkzaam als inpakmedewerker in WSW-verband voor 35,86 uur per week. Op 27 juli 2012 heeft appellant zich ziek gemeld met psychische en lichamelijke klachten. Na een verlengde wachttijd (loonsanctie) van 52 weken heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden waar appellant het spreekuur van een verzekeringsarts heeft bezocht. Deze arts heeft vastgesteld dat bij appellant sprake is van een verminderde psychische en lichamelijke belastbaarheid. Deze beperkingen heeft de verzekeringsarts neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 september 2015. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens geconcludeerd dat appellant geschikt is voor het eigen maatgevende werk. Daarnaast heeft de arbeidsdeskundige functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat de mate van arbeidsongeschiktheid is berekend op 5,91%. Bij besluit van 24 september 2015 stelt UWV vast dat appellant met ingang van 30 juli 2015 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het beroep van de werknemer wordt wegens gebrekkige motivering gegrond verklaard maar de rechtbank heeft aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het te verwachten ziekteverzuim van appellant zodanig is dat van duurzaamheid van de arbeidsverrichting geen sprake meer is waardoor het van een werkgever, ingevolge artikel 9, aanhef en sub e, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, in redelijkheid niet kan worden verlangd hem te werk te stellen. In dat geval kan deze arbeid niet ten grondslag gelegd worden aan de arbeidsongeschiktheidsschatting. Volgens rechtspraak van de Raad, uitspraak van 1 oktober 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3212), wordt bij een te verwachten ziekteverzuim van circa 25% de grens van wat in redelijkheid nog van een werkgever kan worden verlangd niet overschreden. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat UWV zich terecht op standpunt heeft gesteld dat uit de over appellant beschikbare medische informatie niet naar voren komt dat na 30 juli 2015 een overschrijdend ziekteverzuim te verwachten is. Het hoger beroep slaagt niet.

Reageer


Reacties

Er zijn nog geen reacties.