Instantie

Publicatiejaar

Met annotatie

 

Rechtspraak SZR 2019-0040

Centrale Raad van Beroep 18-09-2019

SZR-Nummer SZR 2019-0040
Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum 18-09-2019
ECLI ECLI:NL:CRVB:2019:3062 External-link
Zaaknummer 18/2530 WW
Rechters H.G. Rottier , J.P.M. Zeijen en A.I. van der Kris
Advocaten B.J.M. de Leest
Wetsartikelen 8 WW
Download pdf
Trefwoorden bij dit artikel: werknemerschap; hoedanigheid als werknemer; zelfstandige; vrijwilligerswerk; onverschuldigd betaald; inlichtingenplicht; boete

Het aanbieden van zogenoemde ‘refurbished’ laptops betreft geen werkzaamheden waarmee volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs enig geldelijk voordeel kan worden verwacht. Voor het aanleggen van een ICT-infrastructuur is dat wel het geval.

Appellant ontvangt van 1 september 2014 tot en met 1 juni 2016 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). In september 2014 is appellant begonnen met het repareren en samenstellen van laptops, die hij vervolgens weggaf. Appellant heeft dit eerst vanuit huis gedaan en heeft zijn activiteiten eind 2014 verplaatst naar een oud schoolgebouw. Dit is een ruimte waar volgens een verklaring van het bestuur, onder meer werkwillenden elkaar ontmoeten, helpen en inspireren. In een gesprek met een werkcoach van UWV op 12 maart 2015 vertelt appellant over zijn activiteiten. De werkcoach raadt hem aan een formulier in te vullen om toestemming voor vrijwilligerswerk te vragen. Dat formulier stuurt appellant op 2 april 2015 op. UWV weigert de toestemming voor vrijwilligerswerk omdat het schoolgebouw geen ANBI-, SBBI- of steun-SBBI-status heeft. UWV vraagt appellant vervolgens een inkomstenformulier WW in te vullen voor de periode van 27 april tot en met 4 mei 2015. Appellant geeft aan dat hij niet heeft gewerkt en geen loon heeft ontvangen. Hij vult tevens in dat zijn werkzaamheden met ingang van 1 maart 2015 zijn beëindigd. Na een anonieme melding dat appellant zwart zou werken is UWV een handhavingsonderzoek gestart. Uit het onderzoek volgt dat appellant vanaf september 2014 tot aan het gesprek zo’n 300 laptops heeft ontvangen, gerepareerd en geschoond en dat hij er 200 heeft weggegeven, en dat hij twaalf uur per week besteedt aan zijn activiteiten. Daarnaast is appellant begin 2015 een dag of tien bezig geweest met het aanleggen van de ICT-infrastructuur bij een kerkelijke stichting. UWV herziet de uitkering over de periode van 1 september 2014 tot en met 1 juni 2016. UWV vordert de onverschuldigde betaalde WW-uitkering over deze periode terug en legt een boete op omdat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Onder werkzaamheden uit hoofde waarvan een werknemer zijn hoedanigheid als werknemer verliest, moet volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 16 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1678) worden verstaan arbeid die in het economisch verkeer wordt verricht en waarmee het verkrijgen van enig geldelijk voordeel wordt beoogd of volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs kan worden verwacht. Anders dan de rechtbank oordeelt de Raad dat de laptopwerkzaamheden die appellant heeft verricht geen werkzaamheden zijn waarmee volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs enig geldelijk voordeel kan worden verwacht. De vergelijking die UWV maakt met bedrijven die tweedehands gerepareerde, zogenoemde ‘refurbished’, laptops aanbieden treft geen doel, nu het soort laptops, de wijze van aanbieding en hoogstwaarschijnlijk ook de kwaliteit van de laptops essentieel verschilt. Met betrekking tot het door appellant aanleggen van de ICT-infrastructuur bij Stichting X van 19 januari 2015 tot en met 1 februari 2015 wordt overwogen dat deze werkzaamheden anders van aard zijn dan de activiteiten met de laptops, nu voor het aanleggen van een ICT-infrastructuur volgens in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs enig geldelijk voordeel kan worden verwacht. In dit geval zijn de werkzaamheden ook goed vergelijkbaar met diensten die normaal gesproken op dit gebied tegen betaling worden aangeboden. Hieruit volgt dat UWV terecht heeft besloten dat appellant gedurende de periode van 19 januari tot en met 1 februari 2015 zijn werknemerschap heeft verloren. Dit betekent dat de WW-uitkering over deze periode op die grond moet worden ingetrokken en dat over deze periode een bedrag van € 778,50 aan onverschuldigde WW-uitkering van appellant moet worden teruggevorderd. De boete wordt verlaagd naar (€ 778,50 x 50% =) € 389,25. Deze boete wordt evenredig geacht, gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden waaronder de overtredingen zijn gepleegd.

Reageer


Reacties

Er zijn nog geen reacties.