Instantie

Publicatiejaar

Met annotatie

 

Rechtspraak SZR 2019-0038

Centrale Raad van Beroep 28-08-2019

SZR-Nummer SZR 2019-0038
Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum 28-08-2019
ECLI ECLI:NL:CRVB:2019:2922 External-link
Zaaknummer 17/4144 WW
Rechters H.G. Rottier , A.I. van der Kris en M.E. Fortuin
Wetsartikelen 3 WW; 61 WW
Download pdf
Trefwoorden bij dit artikel: faillissementsuitkering; overname betalingsverplichtingen; loongarantieregeling; statutair-bestuurder; aandeelhouder; faillissement; dienstbetrekking

De ontslagname van appellant als bestuurder heeft in beginsel tevens de beëindiging van de dienstbetrekking van appellant tot gevolg. Appellant is niet verzekerd als werknemer.

Op 6 november 2014 schrijft appellant zich uit bij de Kamer van Koophandel (KvK) als statutair bestuurder van werkgeefster. Werkgeefster wordt op 28 oktober 2015 in staat van faillissement verklaard. Bij brief van 5 november 2015 heeft de curator de arbeidsovereenkomst van werkgeefster met appellant, voor zover van toepassing en voor zover vereist, opgezegd tegen de eerst mogelijke datum. Op 26 november 2015 dient appellant bij UWV een aanvraag in tot overname van de betalingsverplichtingen van zijn gefailleerde werkgeefster op grond van Hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) (faillissementsuitkering). Hierop start de afdeling Handhaving van UWV een onderzoek naar de arbeidsverhouding van appellant, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 1 maart 2016. Bij besluit van 21 maart 2016 wijst UWV de aanvraag af, omdat appellant geen werknemer is in de zin van artikel 3 van de WW. UWV stelt zich op het standpunt dat door de uitschrijving van appellant bij de KvK als bestuurder van werkgeefster, ook de arbeidsovereenkomst van appellant als directeur is beëindigd. Voor zover appellant na deze datum nog werkzaamheden heeft verricht voor werkgeefster, is dit volgens UWV niet als werknemer geweest, maar zijn deze werkzaamheden uitgevoerd in relatie tot het aandeelhouderschap van appellant.

De Centrale Raad van beroep oordeelt als volgt. Ter beoordeling ligt voor of UWV terecht de aanvraag van appellant voor een faillissementsuitkering heeft afgewezen op de grond dat hij niet als werknemer verzekerd is voor de WW. Meer in het bijzonder dient de vraag te worden beantwoord of appellant ten tijde van het faillissement van werkgeefster, 28 oktober 2015, in een dienstbetrekking werkzaam was bij werkgeefster. Niet in geschil is dat appellant zich per 6 november 2014 als bestuurder heeft uitgeschreven bij de KvK. Appellant heeft niet betwist dat hij met deze uitschrijving ontslag heeft genomen als bestuurder. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad (zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2713) heeft de ontslagname van appellant als bestuurder in beginsel tevens de beëindiging van de dienstbetrekking van appellant tot gevolg. Voor een uitzondering is slechts plaats indien een wettelijk ontslagverbod aan die beëindiging in de weg staat of indien partijen anders zijn overeengekomen. Indien een statutair bestuurder eenzijdig zijn functie neerlegt, is voor effectuering van het ontslag aanvaarding van de ontslagneming door de rechtspersoon niet vereist. Geoordeeld wordt dat appellant met de door hem aangevoerde feiten en omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij met werkgeefster is overeengekomen dat zijn ontslagneming als bestuurder niet ook het ontslag in arbeidsrechtelijke zin betrof. Hiervoor is onvoldoende dat appellant na de uitschrijving bij de KvK nog activiteiten heeft verricht ten behoeve van werkgeefster.

Reageer


Reacties

Er zijn nog geen reacties.