Instantie

Publicatiejaar

Met annotatie

 

Rechtspraak SZR 2019-0011

Centrale Raad van Beroep 07-03-2019

SZR-Nummer SZR 2019-0011
Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum 07-03-2019
ECLI ECLI:NL:CRVB:2019:659 External-link
Zaaknummer 16/2142 WW
Rechters C.C.W. Lange , H.G. Rottier en G.A.J. van den Hurk
Wetsartikelen 27a WW
Download pdf
Trefwoorden bij dit artikel: WW-uitkering; informatieplicht; boetebesluit

Vuistregels Centrale Raad van Beroep voor beoordeling herzieningsverzoek in het kader van Boetebesluit 2013.

UWV legt appellant een boete van € 19.470 op vanwege schending van de informatieverplichting. In de tussenuitspraak is geoordeeld dat het beleid van UWV om nooit terug te komen van rechtens onaantastbaar geworden boetebesluiten die zijn genomen op grond van het per 1 januari 2013 ingevoerde boeteregime in de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Wet aanscherping) en het Boetebesluit socialezekerheidswetten (Boetebesluit 2013), niet aanvaardbaar is. Voorts is in de tussenuitspraak geoordeeld dat het boetebesluit ondeugdelijk is gemotiveerd en in strijd met artikel 7:12 Awb is. Een en ander heeft voor UWV geen aanleiding gevormd om nieuw beleid op te stellen. UWV heeft het boetebesluit onverkort gehandhaafd. Volgens UWV is dit niet evident onredelijk omdat het boetebesluit niet onrechtmatig is en destijds is genomen overeenkomstig de toen geldende regelgeving.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Na de tussenuitspraak en de hierop gevolgde nadere motivering van UWV bij het bestreden besluit ligt wederom de vraag voor of het bestreden besluit, met daarin de afwijzing van het verzoek als bedoeld in artikel 4:6 Awb om terug te komen van het boetebesluit, evident onredelijk is. Ondanks de in de tussenuitspraak vastgestelde onaanvaardbaarheid van het beleid van UWV om herziening categoraal uit te sluiten is tot nu toe geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om alsnog nadere (overgangs)wetgeving of beleid op te stellen ter beoordeling van de vraag of en zo ja, in hoeverre het handhaven van een met toepassing van het Boetebesluit 2013 genomen boetebesluit als evident onredelijk kan worden beschouwd. Daarom zal de Raad ter finale beslechting van het geschil vuistregels formuleren voor de beoordeling van de vraag hoe om te gaan met een herzieningsverzoek van een boetebesluit genomen op grond van het Boetebesluit 2013 voor (a) situaties waarin de invordering van de boete al was voltooid op het moment dat het herzieningsverzoek werd gedaan, en (b) situaties waarin de invordering van de boete nog gaande was op het moment dat het herzieningsverzoek werd gedaan.

Voor zover de boete op het moment van het herzieningsverzoek al is (af)betaald (situatie a), is er geen aanleiding om terug te komen van die boete. Hierbij geldt wel een bovengrens. Ingeval een hogere boete is opgelegd dan de strafrechter maximaal had kunnen opleggen dient de boete te worden herzien tot ten hoogste dat geldende maximumbedrag. Voor diegenen die ten tijde van het herzieningsverzoek de boete nog niet volledig hebben afbetaald (situatie b), is er in beginsel aanleiding om over te gaan tot herziening van het boetebesluit.

Reageer


Reacties

Er zijn nog geen reacties.