Rechtspraak SZR 2019-0001

Centrale Raad van Beroep 02-01-2019

SZR-Nummer SZR 2019-0001
Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum 02-01-2019
ECLI ECLI:NL:CRVB:2019:4 External-link
Zaaknummer 16/6318 ZW
Rechters M. Greebe , B.J. van de Griend en A.T. de Kwaasteniet
Advocaten J.P.M.M. Heijkant
Wetsartikelen 39a ZW
Download pdf
Trefwoorden bij dit artikel: verhaalsanctie; tegenstrijdig oordeel; bedrijfsarts; deskundigenoordeel; conflictoplossing; arbeidsconflict

Werkgever legt advies van de bedrijfsarts om te komen tot conflictoplossing naast zich neer en wordt geconfronteerd met een verhaalsanctie ZW.

Werknemer is bij appellante werkzaam als administrateur. Op 26 augustus 2014 vindt een incident op de werkvloer plaats. Werknemer meldt zich direct daarna ziek en is naar huis gegaan. Appellante staakt de loonbetaling aan werknemer. De kantonrechter veroordeelt appellante tot het voldoen van het vanaf 25 augustus 2014 verschuldigde loon. Op 14 november 2014 bezoekt werknemer het spreekuur van de bedrijfsarts. De bedrijfsarts is van oordeel dat de klachten van werknemer niet berusten op ziekte maar op een geschil tussen werknemer en werkgever. Geadviseerd wordt om een interventieperiode van twee weken in acht te nemen om verdere escalatie te voorkomen en om in deze periode tot een oplossing van het conflict te komen, met inschakeling van een deskundige derde. Uit het deskundigenoordeel van het UWV blijkt dat werknemer door ontstane psychopathologie zijn eigen werk op 26 augustus 2014 niet kon verrichten. Bij beschikking van de kantonrechter van 5 februari 2015 wordt de arbeidsovereenkomst tussen appellante en werknemer met ingang van 15 februari 2015 ontbonden. In het kader van de toegekende ZW-uitkering komt een arbeidsdeskundige van UWV in een rapport van 26 maart 2015 tot de conclusie dat er sprake is geweest van een verwijtbare stagnatie in het re-integratieproces en dat de sanctie van verhaal van de ZW-uitkering op zijn plaats is. Het bezwaar en beroep worden ongegrond verklaard. Appellante voert in hoger beroep (onder andere) aan dat geen re-integratie-inspanningen konden worden verricht omdat sprake was van tegenstrijdigheid tussen het oordeel van de bedrijfsarts en het deskundigenoordeel van UWV. Zodoende was niet duidelijk of er nu wel of geen sprake was van ziekte. De Centrale Raad van Beroep komt tot de volgende beoordeling. Appellante bestrijdt niet dat zij na de ziekmelding van werknemer in het geheel geen re-integratie-inspanningen heeft verricht en dat zij dus ook het advies van de bedrijfsarts van 21 november 2014 om onder begeleiding van een deskundige derde te komen tot conflictoplossing, naast zich neer heeft gelegd. De Raad is met UWV en de rechtbank van oordeel dat de inspanningen hiermee als onvoldoende zijn te beschouwen en dat een deugdelijke grond daarvoor ontbreekt. Dat de bedrijfsarts aanvankelijk meende dat de klachten van werknemer niet op ziekte of gebrek berustten, ontsloeg appellante niet van haar eigen verantwoordelijkheid op dit punt. Bovendien heeft de bedrijfsarts het niet bij het bedoelde standpunt gelaten, maar daarbij tevens het genoemde re-integratie-advies gegeven, dat door appellante is genegeerd. Aan het bovenstaande doet niet af dat in dit geval sprake was van een arbeidsconflict. Appellante heeft zich nog beroepen op de nog resterende korte duur van de arbeidsverhouding in relatie tot de hoge kosten van een mediationtraject. Dit argument snijdt evenmin hout. Zoals de arbeidsdeskundige van UWV in zijn rapport van 26 maart 2015 heeft opgemerkt, heeft appellante, in plaats van zich re-integratie-inspanningen te getroosten en te trachten het conflict op te lossen, haar inspanningen uitsluitend gericht op beƫindiging van het dienstverband. De nog resterende korte duur van de arbeidsverhouding is het gevolg van deze keuze van appellante zelf. Daarom kan de bedoelde korte duur in dit geval niet leiden tot het oordeel dat het maken van kosten in verband met re-integratie niet in redelijkheid van appellante kon worden gevergd.

Reageer


Reacties

Er zijn nog geen reacties.