Instantie

Publicatiejaar

Met annotatie

 

Rechtspraak SZR 2018-0085

Centrale Raad van Beroep 08-08-2018

SZR-Nummer SZR 2018-0085
Instantie Centrale Raad van Beroep
Datum 08-08-2018
ECLI ECLI:NL:CRVB:2018:2438 External-link
Zaaknummer 18/1357 WW
Rechters H.G. Rottier
Wetsartikelen Regeling subsidie scholing en plaatsing oudere werklozen
Download pdf
Trefwoorden bij dit artikel: scholingsvoucher; opleiding; subsidie; opleidingstrajecten; STOA

Afwijzing aanvraag scholingsvoucher. Appellante heeft niet inzichtelijk gemaakt dat zij met een certificaat of diploma van de opleidingen een reële kans heeft om als zelfstandige in haar levensonderhoud te voorzien.

Appellant, woonachtig in Nederland, is vanaf 1983 als grensarbeider werkzaam bij een in Duitsland gevestigde werkgever (werkgever). Daarnaast is appellant vanaf 5 augustus 2013 gedurende gemiddeld dertien uur per week werkzaam als zelfstandige in Duitsland. In verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met werkgever per 1 januari 2015 vraagt appellant op 1 december 2014 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aan. Bij besluit van 21 januari 2015 wijst UWV deze aanvraag af omdat appellant grensarbeider was. Volgens UWV is appellant niet volledig werkloos geworden, omdat hij in Duitsland nog werkzaamheden als zelfstandige is blijven verrichten. Appellant moet volgens UWV daarom in Duitsland een uitkering in verband met werkloosheid aanvragen. Net als UWV verklaart de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond. Hiertoe overweegt de rechtbank, samengevat, dat appellant na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met werkgever voor dertien uur per week werkzaam is gebleven als zelfstandige in Duitsland. Op grond van de gegeven uitleg van de begrippen in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 15 maart 2001, C-444/98, ECLI:EU:C:2001:165 (De Laat) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 februari 2015, C-655/13, ECLI:EU:C:2015:62 (Mertens) moet worden geconcludeerd dat appellant niet is aan te merken als een volledig werkloze grensarbeider in de zin van artikel 65, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 883/2004. Een andere uitleg zou niet overeenstemmen met het uitgangspunt van Verordening (EG) nr. 883/2004 dat aan de migrerende werknemer werkloosheidsuitkeringen worden uitgekeerd onder voorwaarden die het gunstigst zijn voor het zoeken van nieuw werk. Volgens de rechtbank staat de meer formele benadering zoals neergelegd in Besluit U3 niet aan dit oordeel in de weg, aangezien uit dit besluit volgt dat indien een zelfstandige geen enkele beroeps- of handelsactiviteit meer uitoefent in de lidstaat waar hij dat voorheen heeft gedaan hij wordt beschouwd als volledig werkloos. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel.

Reageer


Reacties

Er zijn nog geen reacties.